De Hilversumse Mondriaan

Uit Collectiewijzer

Ga naar: navigatie, zoeken

Dit is een casestudy behorende bij Hoofdmotieven voor afstotingGenereren geld

 In 1987 werden het Stedelijk Museum en de rest van museaal Nederland opgeschrikt door de afstotingscasus die sindsdien de naam ‘De Hilversumse Mondriaan’ draagt. De ingreep van het rijk bij de beslissing van de gemeente Hilversum kreeg een belangrijke precedentwerking bij vergelijkbare gevallen.

Begin februari 1987 presenteerde de wethouder van cultuur van Hilversum E.L. Weijers-van Veen het voorstel om het schilderij Compositie met twee lijnen van Piet Mondriaan te verkopen. Veilinghuis Sotheby’s/Mak van Waay had de opbrengst voorzichtig geschat op zeven miljoen gulden. Het geld zou worden gebruikt voor de restauratie van het al jarenlang verwaarloosde Gooilandtheater in Hilversum, een stijlzuiver modernistisch monument van architect J. Duiker uit 1934-1936.

De gemeente wilde Gooiland, waar onder meer de KRO-studio’s waren gehuisvest, herbestemmen tot theater annex cultureel centrum. Het college van B&W stemde met het verkoopvoorstel in. Het schilderij bevond zich op dat moment al 36 jaar in het Stedelijk Museum. Het is één van de zestien ruit-schilderijen van Mondriaan en datgene waarin hij het verst is gegaan in de vereenvoudiging van de compositie. Het is een sleutelwerk in zijn oeuvre. Mondriaan had het in 1931 geschilderd en het voor vijfhonderd gulden verkocht aan het Nederlandsch Kunstverbond. Het was bedoeld als geschenk aan het college van B&W van Hilversum voor de inrichting van het nieuwe raadhuis van W. Dudok, dat in juli 1931 was geopend. Stadsbouwmeester Dudok zelf was heel ingenomen met het geschenk – hij had het zelf uitgekozen – maar B&W zag er niet veel in. Het schijnt jarenlang van plek naar plek verhuisd te zijn tot de heer H.J. Syliakus, hoofd van de reproductieafdeling van het Stedelijk Museum, het schilderij daar begin jaren vijftig aantrof in een opslagruimte. Syliakus attendeerde directeur Sandberg hierop en deze vroeg het schilderij meteen in bruikleen. Zo is de Hilversumse Mondriaan in 1951 in Amsterdam terechtgekomen.

Wim Beeren, toenmalig directeur van het Stedelijk Museum, reageerde geschokt en boos op het bericht van de verkoop. Het was wel duidelijk dat bij openbare veiling het werk in buitenlandse handen terecht zou komen en Nederland dit belangrijke culturele erfgoed voorgoed kwijt zou zijn. Hij zette zich met man en macht in om het tij te keren. Al op 5 februari werden Kamervragen gesteld door Den Uyl, Niessen (PvdA) en Nuis (D66). Ook in de media was de verontwaardiging groot. NRC Handelsblad plaatste op 19 februari het hoofdartikel ‘Mondriaan moet blijven’. Hoogleraar kunstgeschiedenis Carel Blotkamp bepleitte in diezelfde krant een aanpassing van de Wet Behoud Cultuurbezit naar Engelse snit (verbod op verkoop van cultuurbezit boven een bepaalde waarde, in plaats van een lijst van met name genoemde voorwerpen). Jan Blokker schreef in De Volkskrant dat het verlossende woord van Brinkman (de toenmalige cultuurminister) moest komen. Pierre Jansen bracht in een televisie-interview de Hilversumse wethouder voor cultuur in tranen. Beeren zelf stuurde, daags voor het raadsbesluit zou vallen, een kritische brief naar de gemeente Hilversum, mede ondertekend door een groot aantal collegamuseumdirecteuren. Naast het culturele belang van het schilderij vormde het afschrikken van potentiële schenkers het voornaamste argument – de Nederlandse afstotingspolemiek stond nog in de kinderschoenen.

De raadsvergadering waarin over de verkoop besloten zou worden vond plaats op 8 april. In de gemeenteraad waren de meningen sterk verdeeld. De landelijke commotie tastte het imago van het stadsbestuur aan en menig raadslid was tegen verkoop, tenzij het werk in Nederland zou blijven en in openbaar bezit. Maar het lot van Gooiland zat de meesten hoog. Het geld dat zou vrijkomen op grond van zijn inmiddels verkregen status als rijksmonument zou slechts 128.000 gulden bedragen, waarvan ‘niet eens een restauratieonderzoek kan worden ingesteld’, aldus wethouder Weijers. Zij bleef daarom voorstander van verkoop aan de hoogstbiedende partij. Het was echter al bekend dat minister Brinkman een dergelijk raadsbesluit zou laten schorsen. Uiteindelijk besloot de raad toch het voorstel voor verkoop aan te nemen, maar dit uit te breiden met een amendement van de VVD-fractie. Dat kwam erop neer dat de gemeente Hilversum graag de Mondriaan voor Nederland wilde behouden, mits de minister voor voldoende middelen kon zorgen voor de restauratie en herbestemming van Gooiland.

Kort geding

Brinkman ging niet in op het Hilversumse scenario. Het raadsbesluit werd geschorst (Koninklijk Besluit (KB) 17 juni 1987 nr. 7 Stb. 344), voor een periode waarin vernietiging van het besluit kon worden voorbereid of waarin de raad op zijn besluit kon terugkomen. De gemeente Hilversum spande hierop een kort geding aan tegen de staat om de schorsing aan te vechten. De Haagse arrondissementsrechtbank stelde de staat in het gelijk, verwijzend naar het eigendomsrecht van de gemeente: de plicht om dergelijk cultureel erfgoed van nationaal belang te behouden en te beschermen. Het hoger beroep werd door het Haagse gerechtshof afgewezen. De gemeente Hilversum kon nog twee dingen doen: het schilderij in bruikleen laten of ter verkoop aanbieden aan het Stedelijk Museum (oftewel de gemeente Amsterdam). Een raadsbesluit tot verkoop via de internationale handel zou worden vernietigd door de Kroon. Andere Nederlandse musea hadden al afgesproken niet boven de prijs van het Stedelijk Museum te zullen bieden. En die prijs lag ver beneden de internationale marktwaarde, namelijk 2,5 miljoen gulden. Het Stedelijk Museum verwierf Compositie met twee lijnen in januari 1988 met steun (in totaal 1 miljoen gulden) van het Prins Bernhard Fonds, de Vereniging Rembrandt en de Algemene Loterij Nederland. Hilversum had voor deze ‘minnelijke oplossing’ gekozen, waardoor vernietiging van het raadsbesluit niet meer nodig was en de schorsing kon worden opgeheven.

Opvallend is dat niemand consideratie toonde met Hilversums financiële nood en het probleem met Gooiland. Lag het aan de provocerende woorden van wethouder Weijers dat ze het schilderij ‘desnoods aan een oliesjeik’ wilde verkopen? Had de gemeente de problemen met Gooiland kunnen voorkomen door regelmatig onderhoud te plegen aan het trouwens niet erg solide pand? De jurist Jan Maarten Boll ontleedde de kwestie juridisch en velde een hard oordeel: hij noemde het Hilversumse raadsbesluit ‘een poging tot afpersing’ van de minister (‘met de beste bedoelingen vanzelfsprekend’). Hij verweet de gemeente dat zij het kunstwerk als een vermogensbestanddeel beschouwde. Door al bij voorbaat tot verkoop te besluiten en niet op andere wijze het geld voor Gooiland bijeen te krijgen, had Hilversum de minister voor het blok gezet. Maar die vlieger ging terecht niet op, volgens Boll. In verschillende tijdschriften zette hij zijn visie op deze casus helder en uitvoerig uiteen.

De gemeente Hilversum bleef zitten met het probleem Gooiland. De opbrengst van de Mondriaan en de restauratiesubsidie waren kennelijk niet toereikend om het rijksmonument in goede staat te brengen. Vier jaar na de Mondriaanaffaire verkocht de gemeente Hilversum het Gooilandcomplex. Het pand kwam in handen van een internationale hotelketen en huisvest tegenwoordig naast een hotel het theater Gooiland en grand café Duiker.

Met de Hilversumse Mondriaan werd voor het eerst vervreemding van cultureel erfgoed uit openbare collecties in het openbaar bediscussieerd. En sindsdien wordt in vergelijkbare gevallen – wanneer publieke eigenaren dreigen een belangrijk kunstwerk te verkopen om aan geld te komen – het Mondriaan KB van stal gehaald om hen tot inkeer te brengen.

PT