Who is afraid of grey, orange on maroon?

Uit Collectiewijzer

Ga naar: navigatie, zoeken

Dit is een casestudy behorende bij Hoofdmotieven voor afstotingGenereren geld

Financiële omstandigheden 'dwongen' museumdirecteur Chris Dercon Grey, orange on maroon 60/8 van Mark Rothko te koop aan te bieden. De verkoop ging niet door, maar veroorzaakte een rel in museumland.

Who is afraid of grey, orange on maroon?

In de aanloop naar het congres Grenzen aan de Groei deed zich weer een museale verkooprel voor van het kaliber Hilversumse Mondriaan en de Haagse Picasso’s en Monet.

Eind maart 1999 werd bekend dat directeur Chris Dercon van museum Boijmans Van Beuningen van plan was om het schilderij Grey, orange on maroon 60/8 van de Amerikaanse kunstenaar Mark Rothko te verkopen. Het museum verkeerde in grote financiële problemen. De directie, naast Dercon bestaande uit de adjunct-directeuren Johan ter Molen en Piet Barendse, besloot tot een vacaturestop en bevroor voorlopig het jaarlijkse aankoopbudget van 850.000 gulden. Tegelijkertijd liet Dercon plannen ontwikkelen tot vernieuwing en uitbreiding van het museum. De dekking van de begroting van in totaal 28 miljoen gulden, waarbij telkens wisselende tekorten naar voren kwamen, was in 1999 nog niet rond.
Dercon bestempelde Rothko’s doek, dat hoofdconservator Renilde Hammacher-van den Brande in 1970 voor 287.500 gulden had aangekocht, als een ‘zwerfkei’, een eenling die niet thuishoorde in de collectie. Toen Dercon in de staf bekend maakte dat hij de Rothko wilde verkopen, wist hij al wie de mogelijke koper was en wat het schilderij zou opbrengen. Hij was hierover in contact geweest met Christie’s New York en het veilinghuis had twee serieuze gegadigden: een Frans museum en een Amerikaanse particuliere verzamelaar. Het bleek dat de laatste bereid was acht miljoen gulden voor het kunstwerk neer te leggen. De gemeente Rotterdam, eigenaar van het kunstwerk, was al op de hoogte en stond niet onwelwillend tegenover de verkoop, maar had nog ‘kritische vragen’.

De reactie van de conservatoren was furieus. In een interne brief kantten zij zich tegen Dercon. Ze protesteerden tegen de verkoop en vermoedden dat het Dercon te doen was om het gat in de nieuwbouwbegroting te dichten. Deze liet al snel weten dat de opbrengst zou worden bestemd voor aankopen, maar Dercon had de schijn tegen zich. Voornaamste grief van de conservatoren was dat de verkoop al bijna rond was zonder dat er overleg met hen was geweest.

Hier ontrolde zich de grootste openlijke controverse tussen een directeur en zijn staf in de Nederlandse museumgeschiedenis tot op heden. Een interne notitie belandde op het bureau van het Rotterdams Dagblad en zo kwam de affaire in de openbaarheid. De landelijke pers sprong er gretig op in en liet de conservatoren vrijuit hun gal spuwen. Piet de Jonge (hoofdconservator moderne kunst), Manfred Sellink (hoofdconservator prentkunst) en Jeroen Giltaij (hoofd afdeling oude schilder- en beeldhouwkunst) namen geen blad voor de mond en beschuldigden hun directeur van wanbeleid en miscommunicatie. Uit de kunstwereld klonken protesten tegen de op handen zijnde verkoop. Alied Ottevanger, onder meer lid van de commissie Wet tot Behoud van Cultuurbezit, bestreed Dercons zwerfkei-argument en vond dat een lelijk en beschamend gat zou ontstaan in de Collectie Nederland als de Rothko het land zou verlaten. Tweede Kamerlid Boris Dittrich, woordvoerder cultuur van D66, stelde Kamervragen. Hij vroeg hoe staatssecretaris Van der Ploeg internationale verkoop kon tegenhouden en of de Lamo, die eind dat jaar zou verschijnen, nog van invloed kon zijn. In het tv-programma De Plantage debatteerde een elftal kopstukken uit het culturele veld over de Rotterdamse museumcrisis, en Piet de Jonge verscheen in het tv-programma De tafel van Pam waar onder anderen Rudy Kousbroek en Wim T. Schippers met hem de affaire bespraken.

De kwestie Rothko was in wezen een symptoom van een veel groter conflict, dat was uitgelopen op een vertrouwenscrisis. Op 6 april riep Rotterdams wethouder van cultuur Hans Kombrink de partijen in crisisberaad bijeen om tot een interne oplossing te komen. De uitkomst was dat de Rothko voorlopig niet werd verkocht, maar directie en staf kregen een spreekverbod opgelegd; de conservatoren waren met hun uitlatingen in de pers als ambtenaren buiten hun boekje gegaan en Kombrink had weinig waardering voor hun modus operandi. Eventuele kritiek op Dercons optreden uitte hij niet. Hij vond oud-NOS-voorzitter en Eerste Kamerlid Eric Jurgens bereid om als bemiddelaar in het conflict op te treden.

Na een maand intensieve gesprekken concludeerde Jurgens dat het conflict nog wel op te lossen was, mits er snel iets gedaan werd aan de verbetering van de besluitvorming en interne communicatie. Dercon kon aanblijven, maar hij zou tijdelijk een procesmanager boven zich krijgen. De gemeente koos hoogleraar sociologie Philip Idenburg en interim-manager Peter van Veen om orde op zaken stellen. De directie zou een ander aanzien krijgen. Inhoudelijk adjunct-directeur Johan ter Molen was inmiddels benoemd tot directeur van Museum Paleis Het Loo. De functie van zakelijk adjunct-directeur Piet Barendse werd opgeheven. Naast Dercon kwam een algemeen directeur bedrijfsvoering. Dit werd Hugo Bongers, die al ervaring in een dergelijke positie had opgedaan naast Rudi Fuchs in het Stedelijk Museum.

Om de verdere politieke besluitvorming rond de Rothko-zaak aan te scherpen, liet Kombrink in het museum een bijeenkomst organiseren waar externe deskundigen, andere musea en landelijke kunst- en cultuurinstellingen zouden discussiëren over vervreemding van een kunstwerk uit een openbare collectie. Het debat (ver)Vreemde Zaken? vond plaats op 23 juni onder leiding van Walter Etty (bureau Andersson Elffers Felix). De inmiddels vertrouwde argumenten voor en tegen passeerden de revue, uit monden van bekende spelers op dit toneel, zoals Carel Blotkamp, Jan van Adrichem, Marliet Halbertsma en Hans Locher. Ook Chris Dercon en Piet de Jonge namen deel aan het debat, waarbij Dercon zich verdedigend opstelde: ‘Kunst verkopen doe je pas als het water je aan de lippen staat. En dat is nu zo ver.’

Zwerfkei-theorie

Opvallend is dat Dercon zich via krant of vakpers nauwelijks heeft uitgelaten over de kwestie, niet voor het spreekverbod en niet achteraf. Wel ging hij later uitgebreid in op de casus op het colloquium l’Avenir des Musées in 2000 in Parijs, georganiseerd door het Louvre. Bepaald niet een omgeving waar de grenzen van museaal beleid worden verlegd. Zijn uitgebreide apologie lijkt gefunctioneerd te hebben als teaser, als knuppel in het hoenderhok.

In Parijs lichtte Dercon toe waarom hij Rothko’s werk een zwerfkei vindt. Zijn opvatting baseerde hij op een artikel van Marja Bosma in Kunst & museumjournaal 1993/3, waarin zij de rol van eenlingen in collecties behandelt. Bosma beschouwde Renilde Hammachers aankoop als een vreemde keuze en vroeg zich zelfs af waarom het museum dit werk niet verkocht. Hammacher had de Rothko geplaatst in de ontwikkeling van het surrealisme, het hoofdthema in de collectie moderne kunst van Boijmans Van Beuningen. Bosma vond dit niet erg overtuigend en vermoedde een andere achtergrond. Rothko was in 1970 overleden en waarschijnlijk had Renilde Hammacher dat jaar de kans gegrepen om één van de laatste nog beschikbare schilderijen te verwerven. Dit werk werd Boijmans’ inbreng in een Rothko-retrospectief dat in 1971-72 rondreisde en als laatste Rotterdam aandeed. Verder speelde Dercon de bal terug naar de conservatoren. Zij hadden volgens hem in 1996 verklaard dat de Rothko in de B-categorie viel, oftewel een exceptioneel werk dat echter niet essentieel was voor de collectie en dat daarom in aanmerking kon komen voor ruil. Voorts zouden ze er in 1998 mee hebben ingestemd dat verkoop uit de collectie mogelijk is, maar alleen in uitzonderlijke gevallen. Wat is een uitzonderlijk geval? Daarover valt te twisten, maar als de Rothko dat niet is, wat dan wel, vroeg Dercon zich af. De financiële omstandigheden in 1999 ‘dwongen’ hem ertoe de Rothko bij Christie’s Amsterdam in te schrijven.

Hoe valide zijn Dercons argumenten, in het licht van de discussie over selectie en afstoting? De zwerfkei-theorie snijdt hout maar valt te betwisten (zie bijvoorbeeld Ottevanger). Mag een directeur zo eigenzinnig te werk gaan, zonder instemming van zijn conservatoren? Dercons antwoord hierop is dat de houding van de conservatoren inconsequent was. Daar zal men ongetwijfeld over redetwisten; het voert te ver om dit voor deze publicatie te verifiëren. Dat de financiële omstandigheden Dercon ‘dwongen’ om naar het veilinghuis te stappen is niet logisch. Eerder had hij het een signaal naar de politiek genoemd, om aan te geven dat het aankoopbudget van het museum veel te beperkt was, en dat lijkt aannemelijker. Het lijkt op de houding van Fuchs in de verkoopkwestie in het Haagse Gemeentemuseum in 1989. Ook Karel Schampers, ten tijde van de Rothko-affaire hoofd van de afdeling moderne kunst in Boijmans, redeneert als directeur van het Frans Hals Museum in dezelfde trant in de kwestie over de verkoop van de schilderijen van Sweerts en West. In geen van deze gevallen heeft deze noodgreep een gunstig effect gehad. Een ander argument van Dercon is echter interessant en kom je verder zelden tegen: hij stelt dat de Rothko een dermate goed en belangrijk kunstwerk is dat een museum dat best kan afstoten. Zo’n werk zal niet in de vergetelheid raken, of anders gezegd, het gaat niet verloren. Daar valt tegen in te brengen dat men juist zo’n object nooit moet wegdoen, omdat een Nederlands museum werken van dit kaliber niet meer kan terugkopen. Maar de verkoop ging dus niet door, de Rothko zou in Rotterdam blijven. Dercon besloot zijn betoog in Parijs met de paradox dat door deze affaire Grey, orange on maroon niet meer een verweesd stuk zal zijn in Boijmans’ depot, maar een zaalstuk dat de geschiedenis van het museum vertegenwoordigt, ‘net als onze valse Vermeer’.

Ten slotte is het boeiend te kijken naar het standpunt van de Gemeente Rotterdam. Een jaar na de affaire Rothko vergaderden de gemeenteraad en de Commissie voor Kunst en Mediabeleid over het thema collectiemobiliteit. Onderwerpen waren onder meer de pas uitgekomen Lamo en een brief van de Rotterdamse musea. Deze volgden de Lamo op hoofdlijnen. Ook waren zij in principe tegen verkoop om financiële redenen. Zij hadden echter één amendement: de formulering van de bestemming van de opbrengst bij verkoop zou in de breedst mogelijke zin moeten worden opgevat. ‘Ten behoeve van de collectie’ betekende voor hen óók passieve conservering, ontsluiting en presentatie van de collectie. Ergo: nieuwbouw of bouw van een depot valt daaronder. De gemeenteraad nam dit advies over.
Wethouder Kombrink had zijn museumdirecteur niet laten vallen en het museum had zich daarbij neer te leggen. Chris Dercon bleef aan als directeur van Museum Boijmans Van Beuningen tot 2003. In juni van dat jaar werd hij directeur van het Haus der Kunst in München.
PT

Wie wilde de Rothko verkopen?

Chris Dercon, gevraagd naar een terugblik op deze stormachtige periode, legt het initiatief voor de verkoop van de Rothko bij Karel Schampers, toen hoofd afdeling moderne kunst. Schampers zelf raadpleegde zijn aantekeningen van die tijd en brengt een ander beeld naar voren.*

Dercon: ‘Het was niet zo dat ik dat zelf verzonnen had, die arme Rothko af te stoten. Het was een voorstel van Karel Schampers in het MT. Hij wees op het artikel van Marja Bosma, op de slechte conditie van het schilderij en op het feit dat het al jaren niet meer getoond was in het museum. Ik heb zijn voorstel, in overleg met Piet Barendse, meteen overgenomen en heb bij Christie’s geïnformeerd wat het werk waard was op de markt. Hetzelfde weekend nog belde ik mijn collega’s Rudi Fuchs en Jan Debbaut om de Rothko aan te bieden. Die hoorde in het Stedelijk en het Van Abbe Museum beter thuis. Geen van hen was geïnteresseerd om het werk te kopen. Fuchs zei: “Ik heb al een Rothko.”

De conservatoren hebben we er in dat stadium buiten gehouden. Maar het is niet zo dat we het allemaal achter gesloten deuren hielden. Toen de commotie in de pers loskwam heeft Piet de Jonge nog een presentatie gemaakt van de Rothko en nog enkele Amerikaanse colourfield painters uit onze collectie, Mangold en Noland. Om het publiek te laten zien om welk werk het ging.

‘De keuze om de Rothko te verkopen lag natuurlijk bij mij als directeur. Ik heb de fout gemaakt om Schampers’ voorstel te volgen zonder voldoende afwegingen te maken. Daar neem ik de volle verantwoordelijkheid voor. De oorzaak was de acute geldnood waarin het museum verkeerde. Het was ook bedoeld als een manier om de gemeente onder druk te zetten.’

Karels Schampers vertelt dat Dercon hem in maart 1999 vroeg eenlingen in de collectie moderne kunst aan te wijzen die voor afstoting in aanmerking kwamen. Hij bracht onder meer een goed in de markt liggend poezenschilderij van Henriëtte Ronner-Knip naar voren en de Rothko. Het eerste viel af omdat het een schenking was. Verkoop kwam ter sprake, waarop Schampers volgens zijn zeggen wees op de voorwaarden die het museum daaraan had gesteld. Zo moest onder andere de wetenschappelijke staf ermee instemmen en moest het werk niet in een ander Nederlands museum passen. De Rothko zou uitstekend op zijn plaats zijn in het Stedelijk Museum, waar een tweede Rothko was. Hij opperde om het Stedelijk een ruil voor te stellen met hun Francis Bacon, die goed in Boijmans zou thuishoren. Voor een dergelijke ruil moet de waarde van het werk bekend zijn en Dercon liet zich informeren bij Christie’s in New York. Hij meldde Schampers dat de taxatiewaarde acht miljoen gulden bedroeg en dat er twee geïnteresseerde partijen waren. ‘Toen had ik moeten inzien dat Dercon het schilderij niet wilde ruilen, maar op verkoop uit was.’ Toen kort daarop Dercon Piet de Jonge, hoofdconservator moderne kunst, op de hoogte stelde van zijn voornemen, was deze ontzet. Dercon vertelde hem dat hij de opbrengst wilde gebruiken voor de nieuwbouw. Wat er daarna gebeurde is bekend.

Piet de Jonge heeft een andere versie van de toedracht. Zo herinnert hij zich hoe hij achter het verkoopplan kwam: er was een telefoontje van kunsttransporteur Gerlach binnengekomen om te vragen wanneer ze de Rothko konden komen halen. Een buitenlandse expert van Christie’s wilde het stuk in Amsterdam komen bekijken. De Jonge was totaal verbijsterd. Chris Dercon was in het buitenland en via Karel Schampers vernam hij dat Dercon het schilderij wilde verkopen. Van eventuele regels voor afstoting die met de wetenschappelijke staf besproken zouden zijn, waar zowel Dercon als Schampers aan refereren, weet hij niets. Er was tot dan toe in het museum nauwelijks discussie geweest over afstoting, laat staan dat er regels voor waren opgesteld.

Zoals Chris Dercon schreef in zijn laatste reactie op dit stuk: ‘De waarheid ligt altijd in het midden.’ Daar zullen we haar dan in dit boek ook maar laten.
PT

  • Telefoongesprek met Chris Dercon: 25 januari 2007. Telefoongesprek met Karel Schampers: 16 februari 2007. Verder diverse e-mailcontacten met Dercon en Piet de Jonge.