Zeeuws maritiem muZEEum

Uit Collectiewijzer

Ga naar: navigatie, zoeken

Dit is een casestudy behorende bij Hoofdmotieven voor afstotingOntdoen beheerslast

Een helder profiel en collectieplan maken selectie en afstoten mogelijk in maritiem MuZEEum te Vlissingen. Daardoor wordt de collectie steeds beter beheersbaar.
Ontzamelen even normaal als verzamelen

Ook het Zeeuws maritiem muZEEum kent het verschijnsel van de uitpuilende depotcollectie. Maar in Vlissingen is men al ver gevorderd met het ontzamelen. Het is een continu proces in de bedrijfsvoering geworden.

In de tweede helft van de negentiende eeuw zat de gemeente Vlissingen zo slecht bij kas dat zij besloot haar stadszilver te verkopen. Door ingrijpen van Victor de Stuers, Nederlands eerste beschermer van ons nationale cultureel erfgoed, kwam dit zilver in 1881 terecht in het Rijksmuseum in Amsterdam. Maar de Vlissinger afstoting van cultuurgoed had een tegenbeweging tot gevolg. In 1890 werd het Stedelijk Museum opgericht, waaraan een aantal gegoede burgers kunst en historische voorwerpen schonk. De objecten werden daarmee eigendom van de Gemeente Vlissingen.

Overigens heeft aan het begin van de vorige eeuw de toenmalige conservator een deel van de Vlissingse zilverschat van het Rijksmuseum in langdurig bruikleen gevraagd, welk verzoek werd ingewilligd.

In de eerste honderd jaar na de oprichting verhuisde het museum verschillende malen, waarbij het museum steeds opnieuw werd ingericht naar de laatste museale inzichten. Aanvankelijk werd het museum vooral als oudheidkamer gezien, met een collectie voorwerpen die op een of andere manier iets met de historie van Vlissingen te maken hadden (zoals archeologica, stadsgezichten, resten van gesloopte panden of de collectie munten van de voorzitter). Dit veranderde na de Tweede Wereldoorlog. Niemand was meer geïnteresseerd in die ‘oude potjes en prulletjes’. In 1950 werd het historische museum heringericht volgens de toenmalige manier van presenteren: stijlkamers. Van her en der werden achttiende-eeuwse meubels of onderdelen van een keukeninterieur vergaard, met als basis interieurfragmenten uit in de oorlog beschadigde panden. Het verzamelbeleid wijzigde en de oude collectie verdween in het depot.

Na 1990 liep het bezoekersaantal sterk terug. Het bestaansrecht van het museum kwam in het geding. Ditmaal werd gekozen voor een duidelijke profilering. Geen museum met een type collectie en presentatie zoals er al zoveel zijn in Nederland, maar duidelijk herkenbaar en aantrekkelijk voor een breed publiek. De keuze viel op het thema ‘zee’ en de benaming muZEEum was geboren. Het museum was ondertussen wederom verhuisd naar een groter gebouw en werd opnieuw ingericht. Objecten die de maritieme geschiedenis van Zeeland verbeelden kwamen het museum binnen en de oude collectie verdween deels weer naar het depot, naast de voorwerpen die tijdens vorige herinrichtingen daar terecht waren gekomen.

Ontzamelen werd noodzaak

De depotcollectie was toegenomen tot onbeheersbare proporties. De collectie vertoonde hier en daar de meest vreemdsoortige voorwerpen, toe te schrijven aan beleidsveranderingen, toevalligheid of de voorliefde van een conservator. Doordat er in 1990 gekozen was voor een helder profiel, was het mogelijk om een collectieplan te schrijven. Selectie vooraf werd daardoor mogelijk, evenals het selecteren van voorwerpen die zich al decennia in de depots bevonden.

In 1995 is het museum begonnen om met de gemeente Vlissingen een selectie-en afstotingsprocedure te formuleren, voorafgaand aan de verzelfstandiging in 1997. De Lamo bestond nog niet, maar het Vlissinger model bleek achteraf er geheel mee in overeenstemming te zijn. Via een uitgebreid met de gemeenteraad gecommuniceerd stroomschema is een eerste deel van de collectie doorlopen. Jaarlijks worden de nieuwe aanwinsten evenals de af te stoten voorwerpen ter goedkeuring voorgelegd aan de raad. Museumdirecteur Wilbert Weber: ‘Ieder jaar begeef ik mij naar de raadszaal, met voorwerpen onder mijn arm of een powerpoint-presentatie, om uitleg te geven. En elk jaar wordt de collectie beter beheersbaar.’
Een arbeidsintensief onderdeel bij afstoten is het opsporen van (nazaten van) schenkers. Bijzonder in Vlissingen is dat dit deel van de procedure wordt ondersteund vanuit het gemeentelijk apparaat, van de afdeling burgerzaken tot aan het gemeentearchief.

Museum en gemeente hebben besloten om af te stoten voorwerpen te veilen (indien een ander museum of vroegere schenker niet geïnteresseerd is in overname/terugname), want dan heeft elke burger de kans om het voorwerp aan te kopen. De opbrengst komt ten goede aan het aankoopfonds. Veiling vindt men in Vlissingen ook politiek het meest transparant. De eerste veiling vond plaats in 2005 te Middelburg, tien jaar na het begin van het selectie- en afstotingsproces; 633 voorwerpen verwisselden van eigenaar en brachten 32.484,-- euro op. De collectie van het muZEEum is de afgelopen jaren gereduceerd van 30.000 naar 20.000 voorwerpen. Er zouden nog zo’n vier tot vijfduizend objecten uit kunnen, volgens Weber.
Ondertussen is de gemeentewet veranderd en mag het College van B&W zonder instemming van de gemeenteraad over schenkingen en afstoting beslissen. Toch wil de raad graag hierover geïnformeerd worden, dus Wilbert Weber zal ook in de toekomst zijn jaarlijkse tocht naar de raadszaal ondernemen. ‘Met plezier en terecht. Immers de collectie is van alle burgers van Vlissingen.’
PT